
In ons belastingstelsel wordt er onderscheid gemaakt naar inkomen. Er is sprake van drie inkomensboxen. Elke soort inkomen valt in een bepaalde inkomensbox. En elke box heeft andere regels en tarieven.
Het volgende onderscheid wordt gemaakt:
Box 1: inkomen uit werk en woning
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
De hoofdregel is dat negatieve inkomsten uit een bepaalde box niet gecompenseerd kunnen worden met inkomsten uit andere boxen. Compensatie binnen een box is wel mogelijk.
In box 1 valt inkomen uit werk en woning.
Het belastbare inkomen uit werk en wonen bestaat uit:
- loon, pensioen, sociale uitkeringen enzovoort
- de eigen woning die hoofdverblijf is (eigen woning-forfait verminderd met de aftrekbare (hypotheek)rente)
- resultaat uit overige werkzaamheden
- winst uit onderneming
- periodieke uitkeringen en verstrekkingen (bijvoorbeeld alimentatie)
- negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (bijvoorbeeld een afkoop van een lijfrente)
- uitgaven voor inkomensvoorzieningen (bijvoorbeeld lijfrentepremie)
- uitgaven voor kinderopvang
- persoonsgebonden aftrek
- te verrekenen verliezen uit werk en woning
Persoonsgebonden aftrek
De persoonsgebonden aftrek bestaat onder andere uit uitgaven voor alimentatie, buitengewone uitgaven voor ziekte, invaliditeit en overlijden, scholingsuitgaven (studiekosten) en giften.
Tarief
Het tarief in box 1 is progressief. Dat wil zeggen dat de belastingdruk groter wordt naarmate het inkomen hoger is. De tarieven voor belastbaar inkomen uit werk en woning (inclusief premies volksverzekering) voor 2004 zien er als volgt uit:
inkomen tot € 16.265: 33,40%
vanaf € 16.265 tot € 29.543: 40,35%
vanaf € 29.543 tot € 50.652: 42%
vanaf € 50.652: 52%
Vanaf 65 jaar zijn de tarieven voor de eerste twee schijven respectievelijk 15,50% en 22,45%.
In box 2 valt het inkomen uit aanmerkelijk belang aandelen. Van een inkomen uit aanmerkelijk belang kan sprake zijn als u bijvoorbeeld minimaal 5% van de aandelen van een besloten vennootschap bezit. Het tarief is 25%
In box 3 valt het inkomen uit sparen en beleggen.
Forfaitair rendement
De wet gaat ervan uit dat u een fictief rendement van 4% op vermogensbestanddelen uit box 3 behaalt. Dit heet het forfaitair rendement, waarbij het werkelijke rendement dus niet van belang is. Van de waarde van het netto vermogen op 1 januari en 31 december van een jaar wordt het gemiddelde genomen. Over dit gemiddelde netto vermogen (de rendementsgrondslag) wordt het forfaitair rendement van 4% berekend. Deze 4% wordt vervolgens belast met 30% inkomstenbelasting. Per saldo vindt er dan een heffing plaats van 1,2% over de waarde van het gemiddelde netto-vermogen.
Netto-vermogen
Het netto-vermogen is het saldo van de bezittingen minus schulden. Niet alleen het saldo op de betaal- en spaarrekening en de waarde van de aandelenportefeuille vallen onder het vermogen, maar ook de waarde van de vakantiewoning en de verhuurde onroerende zaak. Gebruiksartikelen en voorwerpen van kunst (niet zijnde een belegging) tellen niet mee. Schulden tot een bedrag van € 2.700,- (2004) per persoon en belastingschulden worden niet in aanmerking genomen.
Vermogensvrijstelling
Per belastingplichtige geldt een heffingvrij vermogen van € 19.252 (2004). Op verzoek kan het heffingvrij vermogen volledig worden overgedragen aan de fiscale partner. Dit bedrag wordt verhoogd met € 2.571,- (2004) voor belastingplichtigen met minderjarige kinderen. De verhoging geldt per kind. Voor mensen van 65 jaar en ouder geldt een verhoging van de vermogensvrijstelling in de vorm van een ouderentoeslag. De ouderentoeslag bedraagt maximaal € 25.484 (2004) en is onder andere afhankelijk van de hoogte van het inkomen uit werk en woning. Ook deze ouderentoeslag is overdraagbaar tussen (fiscale) partners. Belastingplichtigen met een bescheiden vermogen zullen dus niet te maken krijgen met de heffing in box 3.
Het forfaitaire rendement bedraagt jaarlijks ten minste nihil. In box 3 kan een negatief vermogen in een bepaald jaar er niet toe leiden dat verrekening plaats kan vinden met de forfaitaire inkomsten over een positief vermogen van een eerder of later jaar.
|